ECLI:NL:CRVB:2021:2323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening WIA-vervolguitkering bij 74,26% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als elektromonteur, meldde zich in 2005 ziek en ontving vanaf 2007 een WIA-uitkering. Na een toename van arbeidsongeschiktheid per 1 november 2017 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 74,26%, wat leidde tot een WGA-vervolguitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat de beperkingen en urenbeperking onvoldoende waren erkend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden de beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegd en passende functies geselecteerd die binnen de belastbaarheid van appellant vielen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de spanningsklachten een verdere urenbeperking vereisten, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en concludeerde dat de beperkingen en functiekeuze adequaat waren gemotiveerd en dat het rustuur passend was verwerkt in de arbeidsbelasting.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd op 15 september 2021 in het openbaar gedaan door J.S. van der Kolk.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-vervolguitkering terecht heeft berekend op 74,26% arbeidsongeschiktheid.