ECLI:NL:CRVB:2021:2324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig receptioniste/telefoniste, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij slechts 8,36% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar hand- en vingerklachten onvoldoende waren meegewogen en dat de rechtbank het oordeel van de verzekeringsartsen onterecht volgde, verwijzend naar het Korošec-arrest. De Raad concludeerde dat het UWV de medische informatie adequaat had betrokken, dat er geen sprake was van een ongelijkheid in procespositie en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad onderschreef het oordeel dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies en wees het verzoek om schadevergoeding af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.