ECLI:NL:CRVB:2021:2351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen wijziging persoonsgebonden budget Wlz
Betrokkene was geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor bepaalde periodes in 2015. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluiten van 24 september 2016 op nihil vast. Na het overlijden van betrokkene in 2016 verklaarde het zorgkantoor bij besluit van 24 juli 2017 de bezwaren gedeeltelijk gegrond en herstelde het pgb.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Appellanten erkenden het besluit te hebben ontvangen en het was niet onredelijk dat het naar een postbusadres werd gestuurd dat als correspondentieadres was opgegeven.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de verzendadministratie en telefoonnotities waren nageproduceerd en dat het besluit aan de verkeerde persoon en het verkeerde adres was gericht. De Raad oordeelde dat hiervoor geen bewijs was geleverd en dat appellanten het besluit hadden erkend te hebben ontvangen. Het adres was als correspondentieadres opgegeven en het zorgkantoor was niet geïnformeerd over een wijziging.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd.