ECLI:NL:CRVB:2021:2355

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
22 september 2021
Zaaknummer
20/2103 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen

Appellant ontvangt bijstand en heeft tijdens een rechtmatigheidsonderzoek bankafschriften verstrekt waaruit kasstortingen blijken. Het college heeft de bijstand over een langere periode herzien en teruggevorderd omdat niet alle bankafschriften waren overgelegd en kasstortingen niet waren gemeld.

Appellant heeft in bezwaar enkele ontbrekende bankafschriften alsnog ingediend, waarop het college het bezwaar deels gegrond verklaarde en de terugvordering heeft aangepast. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogt appellant dat hij het terugvorderingsbedrag al heeft voldaan en dat de inhouding op zijn bijstand moet stoppen. De Raad oordeelt dat het terugvorderingsbedrag nog niet volledig is afgelost en dat het ontbreken van bankafschriften over juli en augustus 2017 rechtvaardigt dat de bijstand over die maanden wordt ingetrokken.

De Raad wijst erop dat de geweigerde individuele inkomenstoeslag niet aan de boete lag en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en het ontbreken van bankafschriften.

Uitspraak

20.2103 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2020,19/1446 PW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 14 september 2021
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een nader stuk ingestuurd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Tijdens een rechtmatigheidsonderzoek op 11 juli 2018 heeft appellant bankafschriften over de periode van 9 maart 2018 tot en met 7 juni 2018 verstrekt. Omdat op deze afschriften stortingen te zien waren, heeft het college appellant verzocht om ook bankafschriften over de periode van 1 juni 2017 tot en met 8 maart 2018 over te leggen.
1.2.
Bij besluit van 23 augustus 2018 heeft het college de in de periode van 1 juni 2017 tot en met 9 augustus 2018 aan appellant verstrekte bijstand herzien (lees: ingetrokken en herzien) en de kosten van bijstand tot een bedrag € 6.262,60 van hem teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet alle gevraagde bankafschriften over te leggen en geen melding te maken van kasstortingen op zijn bankrekening. Over de maanden waarin kasstortingen op de bankrekening van appellant zijn gedaan, heeft het college de bijstand van appellant herzien. Over de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 november 2017, de maanden waarop de ontbrekende bankafschriften zien, heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen en op grond daarvan de bijstand ingetrokken. Ook heeft het college appellant bij dit besluit meegedeeld dat vanaf de maand september 2018 van zijn bijstand een bedrag van € 49,83 per maand in mindering wordt gebracht ter aflossing op de vordering. Bij besluit van 26 september 2018 heeft het college appellant tevens een boete opgelegd van € 1.190,-.
1.3.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant alsnog ontbrekende bankafschriften overgelegd over de periode van 14 augustus 2017 tot en met 11 september 2017 en van 16 oktober 2017 tot en met 9 november 2017, volgnummers 9 en 11. In verband hiermee heeft het college bij besluit van 12 februari 2019 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 23 augustus 2018 en 26 september 2018 gegrond verklaard, voor zover het de intrekking, herziening en terugvordering van bijstand over de maanden september 2017 tot en met november 2017 betreft. Het college heeft daarbij vastgesteld dat appellant over die maanden onveranderd recht heeft op bijstand. Wel heeft het college een kasstorting van € 195,- in mindering gebracht op de bijstand over de maand september 2017. Omdat het bankafschrift over de periode van12 juli 2017 tot en met 13 augustus 2017, volgnummer 8, nog altijd ontbreekt, heeft het college de intrekking over de maanden juli 2017 en augustus 2017 gehandhaafd. Het college heeft het bedrag van de terugvordering gewijzigd en nader vastgesteld op een bedrag van € 3.498,04.
1.4.
Bij besluit van 10 januari 2020 heeft het college het besluit van 26 september 2018, waarbij appellant een boete was opgelegd, alsnog ingetrokken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de herziening, intrekking en terugvordering, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep, voor zover dat ziet op de boete, niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling van de alsnog door het college ingetrokken boete.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Uit het hoger beroepschrift van appellant is op te maken dat hij meent dat hij door de ten onrechte opgelegde boete een individuele inkomenstoeslag van € 120,- is misgelopen. Tevens is het appellant niet duidelijk hoe het terugvorderingsbedrag is vastgesteld en verzoekt hij de inhouding op zijn bijstand stop te zetten. Het terugvorderingsbedrag zou door hem al zijn terugbetaald omdat hij had afgelost op de boete, die het college later heeft laten vervallen. Voor het in 1.3 genoemde ontbrekende bankafschrift verwijst appellant naar de bij het beroepschrift gevoegde uitkeringsspecificaties over de maanden juli 2017 en augustus 2017.
4.1.2.
De Raad heeft appellant bij brief van 7 april 2021 uiteengezet wat in hoger beroep ter beoordeling voorligt en hem in dat verband verzocht om zijn gronden nader toe te lichten. Daarop heeft appellant niet gereageerd, ook niet na een herhaald verzoek.
Intrekking
4.2.
De Raad begrijpt dat appellant aanvoert dat het college over voldoende informatie beschikt om de bijstand over de maanden juli 2017 en augustus 2017 vast te stellen. Deze grond slaagt niet. Appellant heeft het bankafschrift uit 2017 met volgnummer 8 (volgnummer 8) niet ingeleverd. De door appellant in hoger beroep overgelegde uitkeringsspecificaties over de maanden juli 2017 en augustus 2017 geven slechts de over die maanden aan appellant verstrekte bijstand weer. Omdat appellant volgnummer 8 niet heeft overgelegd, is niet duidelijk of appellant ook in de maanden juli 2017 en augustus 2017 inkomsten heeft genoten. Daarom wordt de bijstand over deze maanden ingetrokken en teruggevorderd.
Geweigerde inkomenstoeslag
4.3.
De geweigerde individuele inkomenstoeslag, waar appellant met zijn gronden op doelt, ligt hier niet ter beoordeling voor. Uitsluitend ter voorlichting aan appellant wijst de Raad erop dat de boete, die ook niet voorligt, niet aan het verlenen van de door appellant gevraagde individuele inkomenstoeslag in de weg heeft gestaan. Zoals het college in het verweerschrift heeft uitgelegd, is het verzoek van appellant van 19 december 2018 om een individuele inkomenstoeslag afgewezen in verband met een opgelegde maatregel over de maand juni 2018. Overigens heeft het college appellant in september 2019 en juli 2020 wel weer een individuele inkomenstoeslag, ter hoogte van € 120,-, toegekend.
Aflossingen en terugvordering
4.4.1
Appellant heeft niet bestreden dat hij de op zijn bankrekening gestorte bedragen niet bij het college heeft gemeld en dat deze als inkomen op zijn bijstand in mindering moeten worden gebracht. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad op het volgende. Het college heeft de volgende kasstortingen als middel in mindering gebracht op de bijstand van appellant en van hem teruggevorderd.
28 juni 2017: € 400,-,
6 september 2017: € 195,-,
18 januari 2018: € 100,-,
19 januari 2018 € 50,-
1 februari 2018: € 280,-,
3 april 2018
€ 500,-.
Totaal € 1.525,-
Omdat volgnummer 8 ontbreekt, kan het college het recht op bijstand over de maanden juli 2017 en augustus 2017 niet vaststellen. Het college heeft in verband daarmee de bijstand over die maanden ingetrokken en teruggevorderd, twee maal € 986,52, in totaal € 1.973,04.
4.4.2.
Het van appellant terug te vorderen bedrag heeft het college vastgesteld op een netto totaalbedrag van € 3.498,04.
4.4.3.
Het college heeft uiteengezet dat de aflossingen die appellant heeft gedaan op de inmiddels ingetrokken boete, een totaalbedrag van € 647,29, alsnog in mindering zijn gebracht op het terugvorderingsbedrag. Tevens heeft het college het netto terugvorderingsbedrag verhoogd tot een brutobedrag. Hieruit volgt dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, het terugvorderingsbedrag nog niet geheel is terugbetaald, zodat daarin reden is gelegen om de maandelijkse inhouding op de bijstand stop te zetten.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M. Zwart