Appellant had op 23 mei 2013 een indicatiebesluit ontvangen voor zorgzwaartepakket VG06, later omgezet naar zorgprofiel VG wonen met intensieve begeleiding. Het CIZ trok dit besluit op 6 oktober 2017 in en stelde een nieuw indicatiebesluit vast met een lager zorgprofiel, gebaseerd op de conclusie dat geen sprake meer was van een verstandelijke handicap.
Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat door het CIZ ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 3.2.4 van de Wlz alleen het feit dat iemand niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg een grond kan zijn voor intrekking of herziening van een indicatiebesluit. De beoordeling dat er geen verstandelijke handicap meer is, is geen zelfstandige grond voor intrekking. Daarom was het besluit van 6 oktober 2017 onrechtmatig en moest worden herroepen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit van 6 oktober 2017. Tevens werd het CIZ veroordeeld in de kosten van appellant.