Appellante, werkzaam als administratief medewerker, meldde zich op 12 februari 2016 ziek met psychische klachten. Na een moeizaam proces van ziekmelding en medische beoordeling stelde het UWV bij besluit van 23 juni 2016 vast dat zij vanaf 20 maart 2016 geen recht had op een Ziektewetuitkering. Dit besluit werd bij bezwaar op 7 december 2016 gehandhaafd, met als reden dat er onvoldoende medische informatie was over de periode 20 maart tot 31 mei 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante geen medische stukken over die periode had overgelegd. In hoger beroep betwistte appellante de hersteldmelding van 14 maart 2016 en stelde dat zij vanaf 12 februari 2016 doorlopend arbeidsongeschikt was. Zij vroeg tevens om een deskundigenonderzoek en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad concludeert dat het UWV onvoldoende gemotiveerd heeft dat appellante niet arbeidsongeschikt was in de periode 20 maart tot 31 mei 2016. Psychiater Von Gleich stelde ernstige psychische klachten vast vanaf 12 februari 2016, en medische gegevens tonen opname op de SEH en GGZ-crisisaanmelding. De Raad vernietigt het besluit en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen.
Verder oordeelt de Raad dat de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke en rechterlijke fase is overschreden, waardoor de Staat een schadevergoeding van €1500,- moet betalen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en moet het griffierecht vergoeden.