ECLI:NL:CRVB:2021:2389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 16 januari 2019
Appellant was sinds 2001 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling stelde een verzekeringsarts op 17 juli 2018 beperkingen vast en het UWV beëindigde per 16 januari 2019 de uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Appellant voerde bezwaar en beroep aan, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege een zorgvuldig medisch onderzoek en het ontbreken van nieuwe medische gegevens die tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen zouden leiden.
In hoger beroep herhaalde appellant grotendeels zijn eerdere stellingen, waaronder dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, onderbouwd met een diagnose van een psychiater uit april 2019. De Raad concludeerde echter dat deze latere diagnose de feitelijke medische situatie op de datum in geschil niet wijzigt. Ook andere klachten zoals rugklachten en slaapapneu werden niet voldoende onderbouwd voor beperkingen op de datum in kwestie.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde uitvoerig waarom de beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies juist waren vastgesteld. De Raad zag geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 16 januari 2019 minder dan 15% arbeidsongeschikt is en de WAO-uitkering terecht is beëindigd.