Uitspraak
20 765 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen in 2016 en 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naast inkomsten uit zelfstandige arbeid. Het college stelde in 2016 een voorwaardelijke bijstand vast waarbij minder dan 1225 uur per jaar als zelfstandig ondernemer gewerkt moest worden om recht te behouden. In de aangifte inkomstenbelasting 2017 gaf appellant aan meer dan 1225 uur te hebben gewerkt en maakte aanspraak op de zelfstandigenaftrek.
Op basis hiervan herzag het college de bijstand over 2017 en vorderde een bedrag van €3.431,- terug. Het bezwaar van appellanten werd ongegrond verklaard omdat zij volgens het college geen recht hadden op bijstand onder de PW, maar alleen onder het Bbz 2004. Appellanten voerden aan niet op de hoogte te zijn geweest van de consequenties, maar dit werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen omdat appellanten het urencriterium overschreden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de bijstand bevestigd.