ECLI:NL:CRVB:2017:696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.H.M. van de Ven
- J.C.F. Talman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens zelfstandigheid volgens Bbz 2004
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en startte een eigen bedrijf waarvoor hij inkomsten genereerde. Het college trok de bijstand in omdat appellant als zelfstandige werd aangemerkt, gelet op het urencriterium van 1225 uur per jaar en het gebruik van de zelfstandigenaftrek.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college geen nader onderzoek hoefde te doen naar zijn zelfstandigheid, mede omdat hij zelf aan de Belastingdienst had opgegeven aan het urencriterium te voldoen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht appellant als zelfstandige heeft aangemerkt op basis van het Bbz 2004 en dat de intrekking van de bijstand rechtmatig was. Het feit dat de boekhouder de belastingaangifte deed zonder urencontrole, komt voor risico van appellant. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens zelfstandigheid wordt bevestigd.