ECLI:NL:CRVB:2021:2405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheidspercentage ondanks BPPD-klachten
Appellant, laatstelijk werkzaam als docent geschiedenis en maatschappijleer, meldde zich ziek met lichamelijke en duizeligheidsklachten, waaronder Benigne Paroxysmale Positie Duizeligheid (BPPD). Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant voor 53,11% arbeidsongeschikt is en keerde een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hielden met de ernst, frequentie en onvoorspelbaarheid van zijn BPPD-aanvallen. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en voegde toe dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de diagnose en klachten en deze adequaat hebben betrokken bij hun beoordeling.
De Raad concludeerde dat de beschikbare medische informatie geen aanwijzingen gaf dat de beperkingen waren onderschat of dat de verzekeringsartsen onvoldoende kennis hadden van BPPD. Ook de arbeidsdeskundige had de geselecteerde functies passend gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot vaststelling van 53,11% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.