ECLI:NL:CRVB:2021:2424
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- H. Spaargaren
- J.S. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in hoger beroep over WIA-verzekering en uitkering
Verzoekster was tot december 2007 werkzaam als pedagogisch medewerker en verzorgde daarnaast haar moeder op basis van een zorgovereenkomst met een persoonsgebonden budget. Na het overlijden van haar moeder meldde zij zich ziek in oktober 2008. Vanaf december 2010 ontving zij een WIA-uitkering, die in juli 2017 werd beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een melding van toegenomen klachten kende het UWV haar in 2019 opnieuw een WIA-uitkering toe, maar dit besluit werd in 2020 herroepen omdat het UWV meende dat verzoekster op 16 oktober 2008 niet verzekerd was voor de Wet WIA.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen dit besluit ongegrond. Verzoekster stelde in hoger beroep dat zij wel verzekerd was, omdat zij loon ontving en premies werden afgedragen via de SVB, en betwistte de volledigheid en zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om de uitbetaling van de WIA-uitkering voort te zetten wegens haar financiële nood.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het financiële belang van verzoekster spoedeisend is, maar dat de vraag of zij verzekerd was op de cruciale datum niet voorlopig kan worden beantwoord vanwege onduidelijkheden en bewijsproblemen. Gezien de onzekerheid over de uitkomst in de hoofdzaak en de tijdelijke huisvesting door haar zuster, wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en stelde hij voor spoedig een datum voor de hoofdzaak vast te stellen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster op 16 oktober 2008 niet verzekerd was voor de Wet WIA.