ECLI:NL:CRVB:2021:246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over ontoereikende medische grondslag bij verlaging WGA-vervolguitkering
Appellant ontving een WGA-vervolguitkering die het UWV op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,2% verlaagde. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zijn psychische beperkingen ernstiger zijn dan door het UWV aangenomen. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die de beperkingen onderzocht en concludeerde dat de beperkingen passend zijn bij de psychiatrische diagnoses, met een aanvullende beperking in het verdelen van de aandacht.
Appellant stelde dat een arbeidsduurbeperking noodzakelijk is, maar de deskundige en verzekeringsarts bezwaar en beroep zagen hiervoor onvoldoende grond. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het bestreden besluit een ontoereikende medische grondslag heeft. Het UWV moet de Functionele Mogelijkhedenlijst aanpassen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid herzien.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek in het besluit te herstellen. Omdat het geding hiermee niet is afgerond, is nog geen uitspraak gedaan over eventuele rentevergoeding. De uitspraak is gedaan door E. Dijt, in aanwezigheid van griffier A.L. Abdoellakhan.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit tot verlaging van de WGA-vervolguitkering te herstellen vanwege een ontoereikende medische grondslag.