ECLI:NL:CRVB:2021:2466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bij verhuizing
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten bij verhuizing naar een zelfstandige woning. Het college verleende slechts een deel van de bijstand als geldlening, omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die de kosten noodzakelijk maakten volgens de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat de verhuizing onverwacht was en hij niet had kunnen reserveren omdat hij niet over een inboedel beschikte na zijn scheiding.
De Raad oordeelde dat de verhuizing voorzienbaar was sinds 2014, gezien de woonsituatie bij zijn broer en eerdere woningaanvragen. Ook had appellant voldoende inkomen om te sparen. De psychische problemen die begin 2019 ontstonden, deden hier niet aan af. Daarom was er geen grond voor bijzondere bijstand en werd het hoger beroep afgewezen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college hoeft geen volledige bijzondere bijstand te verlenen.