ECLI:NL:CRVB:2021:2475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig schoonmaakster, meldde zich ziek met rug- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij slechts 13,38% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid overtuigend hadden vastgesteld en dat de beperkingen van de bedrijfsarts niet volledig hoefden te worden overgenomen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de primaire verzekeringsarts zich niet geheel kon vinden in de beperkingen van de bedrijfsarts en dat er sprake is van milde problematiek zonder structurele rugklachten. De beperkingen passen bij het medische substraat en de geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid niet.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de functies medisch geschikt zijn en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.