Appellant, geboren in 1942, diende in februari 2020 een aanvraag in op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Deze aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellant oorlogsgerelateerde omstandigheden had meegemaakt.
De Raad beoordeelde dat eerst moet worden vastgesteld of appellant gebeurtenissen als bedoeld in de AOR heeft meegemaakt, alvorens medische gevolgen kunnen worden overwogen. Verweerder stelde dat niet is gebleken dat appellant zelf oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt.
Appellant gaf aan te hebben verbleven in het kamp Lampersari te Semarang, erkend onder de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Echter, sinds 2015 geldt dat verblijf in een opvangkamp alleen als oorlogsomstandigheid wordt erkend indien bijkomende omstandigheden zoals beschietingen of onlusten aanwezig zijn, wat hier niet het geval was. Ook was er geen bevestiging van internering in genoemde kampen. Daarom concludeerde de Raad dat appellant niet als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR kan worden erkend en verklaarde het beroep ongegrond.