ECLI:NL:CRVB:2021:2500

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
8 oktober 2021
Zaaknummer
21/1013 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AOROrdonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118)Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling wegens onvoldoende bewijs oorlogsgetroffen zijn

Appellant, geboren in 1942, diende in februari 2020 een aanvraag in op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Deze aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellant oorlogsgerelateerde omstandigheden had meegemaakt.

De Raad beoordeelde dat eerst moet worden vastgesteld of appellant gebeurtenissen als bedoeld in de AOR heeft meegemaakt, alvorens medische gevolgen kunnen worden overwogen. Verweerder stelde dat niet is gebleken dat appellant zelf oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt.

Appellant gaf aan te hebben verbleven in het kamp Lampersari te Semarang, erkend onder de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Echter, sinds 2015 geldt dat verblijf in een opvangkamp alleen als oorlogsomstandigheid wordt erkend indien bijkomende omstandigheden zoals beschietingen of onlusten aanwezig zijn, wat hier niet het geval was. Ook was er geen bevestiging van internering in genoemde kampen. Daarom concludeerde de Raad dat appellant niet als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR kan worden erkend en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij in oorlogsgerelateerde omstandigheden heeft verkeerd.

Uitspraak

21.1013 AOR

Datum uitspraak: 8 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 februari 2021, kenmerk BZ011412392 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2021. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1942, heeft in februari 2020 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2020, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Op grond van artikel 1 van Pro de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:
het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen
  • als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;
  • gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;
  • in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.
2.2.
Voor het erkennen als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR geldt als eerste voorwaarde dat de aanvrager gebeurtenissen als bedoeld in de AOR heeft meegemaakt. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan aan de orde komen. Verweerder heeft dan ook terecht zonder voorafgaand medisch onderzoek beoordeeld of appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt.
2.3.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant zelf oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt.
2.4.
De Raad volgt verweerder in dit standpunt en motiveert dat hieronder.
2.5.
Bij zijn aanvraag heeft appellant aangegeven te hebben verbleven in het kamp Lampersari te Semarang. In 1994 is in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) erkend dat appellant tijdens de zogenoemde Bersiap-periode heeft verbleven in het opvangkamp Lampersari. Voorheen hanteerde verweerder in het kader van de AOR het beginsel dat een in het kader van de Nederlandse wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen aanvaarde calamiteit met betrekking tot de periode van oorlog en ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië ook als oorlogsgebeurtenis kan worden aanvaard. Sinds 1 januari 2015 echter voert verweerder het beleid dat een verblijf in een beschermings- of opvangkamp als zodanig niet een oorlogsomstandigheid is, tenzij er sprake is van bijkomende omstandigheden zoals beschietingen, bombardementen en onlusten. Van dergelijke bijkomende omstandigheden, die dan in de directe nabijheid van appellant zouden moeten hebben plaatsgevonden, is geen bevestiging gekregen in het onderzoek. Het verblijf in Lampersari kan dus niet worden aangemerkt als een oorlogsomstandigheid in de zin van de AOR.
Appellant heeft verder betoogd dat hij tijdens de Japanse bezetting heeft verbleven in interneringskampen, waaronder het kamp in Lampersari. Gegevens die de gestelde internering in de door appellant genoemde kampen kunnen bevestigen zijn evenwel niet aanwezig. Eerder heeft de Raad (uitspraak van 6 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC6898) geoordeeld dat van een internering in het geval van appellant geen bevestiging is verkregen. Er is voldoende onderzoek gedaan, maar getuigenverklaringen of andere relevante historische gegevens die betrekking hebben op de situatie van appellant zijn er eenvoudigweg niet. Daarom moet worden geconcludeerd dat van vrijheidsberoving door de bezettende macht of Indonesische vrijheidsstrijders niet is gebleken.
2.6.
Uit 2.5 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2021.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Buur