Uitspraak
20 2934 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, wonende in een koopappartement met hypotheek, ontving sinds 2016 bijstand en eerder bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht kende deze toeslag toe, maar stelde bij besluit van 17 oktober 2018 een verhuisverplichting in vanwege woonlasten boven de huurtoeslaggrens. Appellante diende in juni 2019 opnieuw een aanvraag in voor woonkostentoeslag, die het college afwees omdat zij niet aan de verhuisverplichting had voldaan en de woonlasten nog steeds boven de huurtoeslaggrens lagen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar woonlasten inmiddels onder de huurtoeslaggrens waren gekomen en dat het college ten onrechte uitging van normbedragen voor onderhoudskosten in plaats van haar lagere VvE-kosten en gedaalde opstalverzekeringskosten. De Raad oordeelde dat het college conform het beleid en vaste gedragslijn mocht uitgaan van de normbedragen van Stimulansz, die rekening houden met diverse woningomstandigheden.
Omdat het college terecht vaststelde dat de woonlasten niet onder de huurtoeslaggrens waren gekomen en appellante niet aan de verhuisverplichting had voldaan, werd het hoger beroep afgewezen. Tevens werd geen grond gezien voor vergoeding van schade of proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de woonkostentoeslag bevestigd.