ECLI:NL:CRVB:2021:2527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAW-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid
Appellante ontving sinds januari 2017 een IOAW-uitkering. Naar aanleiding van een melding over mogelijke samenwoning startte de gemeente Rotterdam een onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellante werkzaamheden verrichtte bij een slagerij en inkomsten ontving in geld en goederen.
Het college trok de uitkering met ingang van juli 2017 in en vorderde de uitkering over de periode tot en met januari 2019 terug wegens het niet melden van inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij pas vanaf december 2018 werkte bij de slagerij, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante voldoende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat zij vanaf juli 2017 inkomsten ontving. Appellante heeft de omvang van deze inkomsten niet aannemelijk gemaakt, waardoor het recht op uitkering niet vast te stellen is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering wordt bevestigd.