Uitspraak
19.3849 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg toekenning van een ouderdomspensioen met terugwerkende kracht vanaf de pensioenleeftijd, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe met terugwerkende kracht van slechts één jaar. Appellant stelde dat zijn broer, die als mantelzorger optreedt, door psychische problemen niet tijdig de aanvraag kon indienen, waardoor sprake zou zijn van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat nalatig optreden van een belangenbehartiger geen bijzonder geval oplevert en appellant het risico daarvan draagt. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt dat appellant ook andere derden had kunnen inschakelen om de aanvraag tijdig in te dienen. De medische stukken tonen niet aan dat de broer geheel buiten staat was om de aanvraag te doen.
Omdat geen bijzonder geval is vastgesteld, komt de vraag naar mogelijke hardheid niet aan de orde. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De terugwerkende kracht van het AOW-pensioen wordt beperkt tot één jaar omdat geen sprake is van een bijzonder geval.