ECLI:NL:CRVB:2021:2535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot, toegekend omdat zij een kind jonger dan 18 jaar had. Deze uitkering werd per 1 juli 2014 beëindigd toen haar jongste kind 18 jaar werd. Appellante stelde dat zij ten minste 45% arbeidsongeschikt was en daardoor recht had op voortzetting van de uitkering. Het UWV voerde medisch en arbeidskundig onderzoek uit en adviseerde dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen noodzaak was voor nader contact met haar behandelend artsen in Marokko. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en vond dat ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens waren aangevoerd die twijfel konden doen ontstaan over de vastgestelde beperkingen.
Verder werd geoordeeld dat geen urenbeperking van toepassing was, omdat er geen aandoening was die leidde tot verminderd basaal energetisch vermogen of preventieve indicaties voor beperking. Ook was er geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien appellante tijdig was geïnformeerd over de beëindiging en de voorwaarden voor hernieuwde toekenning van de uitkering. De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering per 1 juli 2014 wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid.