ECLI:NL:CRVB:2021:254
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig kok, verzocht herhaaldelijk om een WIA-uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid door psychische klachten, schouderklachten, astma en een hartinfarct in 2017. Het UWV weigerde de uitkering omdat de beperkingen niet waren toegenomen sinds eerdere beoordelingen.
De rechtbank oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de psychische klachten stabiel waren, de schouderklachten geen verslechtering lieten zien en het hartinfarct een nieuwe, niet aan de eerdere klachten gerelateerde aandoening was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was, met name ten aanzien van de hart- en ademhalingsproblematiek en medicijngebruik, en verzocht om inschakeling van een deskundige. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische rapporten geen aanleiding gaven tot herziening van het oordeel.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.