ECLI:NL:CRVB:2021:2548
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Definitieve vaststelling en terugvordering bijstand op grond van Bbz 2004 met toepassing goed koopmansgebruik
Appellant exploiteert sinds 2015 een eenmanszaak voor bierproductie en -verkoop en ontving bijstand op grond van het Bbz 2004 in de vorm van een renteloze lening. Het college stelde het recht op bijstand over 2016 definitief vast en vorderde een bedrag van €3.921,19 terug wegens overschrijding van het toegestane inkomen.
Appellant voerde aan dat bij de berekening van het netto-inkomen volgens het Bbz 2004 de fiscale keuze voor willekeurige afschrijving leidend is. De Raad oordeelde echter dat het beginsel van goed koopmansgebruik geldt, waarbij maximaal 20% per jaar mag worden afgeschreven; het meerdere aan afschrijvingskosten moet buiten beschouwing blijven.
Appellant stelde dat het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) tijdens een workshop had verklaard dat de fiscale aangifte leidend is, maar de Raad vond dit niet aannemelijk en verwierp dit verweer. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.