ECLI:NL:CRVB:2021:2552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college trok de bijstand in omdat uit een huisbezoek bleek dat appellante en haar drie kinderen niet hun hoofdverblijf hadden op dat adres. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd gewezen op de afwezigheid van persoonlijke en huishoudelijke zaken die normaal aanwezig zijn bij een hoofdverblijf.
Appellante stelde dat haar verhuizing nog niet was afgerond en dat het onderzoek onzorgvuldig was, maar deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt. Ook het verzoek tot een tweede huisbezoek werd afgewezen. In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere argumenten, maar de Raad vond de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank juist en sluitend.
Daarnaast erkende appellante later dat zij ten tijde van de intrekking noodgedwongen nog bij haar ex-man inwoonde. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.