ECLI:NL:CRVB:2021:2569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
19 oktober 2021
Zaaknummer
19/5018 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijkheid financiële situatie

Appellanten dienden op 10 december 2018 een aanvraag om bijstand in, welke door het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen op 28 januari 2019 werd afgewezen. Deze afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar op 6 juni 2019. De kern van het geschil betreft de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten, die geen inzicht hebben verschaft in hun financiële voordelen uit de productie en handel in synthetische drugs.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellant is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens betrokkenheid bij grootschalige productie en handel in synthetische drugs in november 2017. Het college vermoedde op grond van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim 1,8 miljoen euro dat appellanten beschikten over inkomsten of vermogen uit deze activiteiten.

Omdat appellanten geen openheid van zaken hebben gegeven, kon niet worden vastgesteld of zij in de beoordelingsperiode (10 december 2018 tot 28 januari 2019) bijstandbehoevend waren. Hierdoor is het hoger beroep verworpen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over financiële situatie.

Uitspraak

19.5018 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 november 2019, 19/2734 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 28 september 2021
Zitting heeft: A.M. Overbeeke, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J.E. Mink
Namens appellanten is verschenen mr. J.M. McKernan, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Day.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellanten hebben zich op 10 december 2018 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Bij besluit van 28 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen inzicht te verschaffen in het financiële gewin in verband met de productie en handel in verdovende middelen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.
De rechtbank heeft het beroep van appellanten ongegrond verklaard.
De te beoordelen periode loopt van 10 december 2018 tot en met 28 januari 2019.
Het gaat in dit geding om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die inwilliging van die aanvraag noodzakelijk maken. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.
Vaststaat dat appellant is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens de productie van en handel in synthetische drugs in de periode van 9 november 2017 tot en met 22 november 2017. De betrokkenheid bij grootschalige productie van en handel in synthetische drugs rechtvaardigt de veronderstelling dat de betrokkene daarmee inkomsten heeft verworven. Het college heeft zich dan ook op goede grond op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat appellant financiële voordelen heeft genoten. Het college heeft verder – gezien het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.833.703,48 – op goede grond kunnen vermoeden dat appellanten ten tijde van de aanvraag nog beschikten over een opbrengst van deze activiteiten in de vorm van inkomsten of opgebouwd vermogen. Het college heeft daarom terecht van appellanten verlangd dat zij openheid van zaken zouden geven, hetgeen zij hebben nagelaten. Het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel is dusdanig hoog dat onduidelijk is gebleven of appellanten in de te beoordelen periode zonder inkomsten en vermogen zijn geweest. Onder deze omstandigheden is niet vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.E. Mink (getekend) A.M. Overbeeke