Uitspraak
20.461 PW
OVERWEGINGEN
[datum in] 2018 vanuit Curaçao naar Nederland is gekomen als zelfstandig onderwerp van bijstand recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar minderjarige zoon stonden sinds 31 oktober 2018 ingeschreven op hetzelfde adres als haar oom, die daar sinds 2004 woonde. Op 5 december 2018 vroeg appellante bijstand aan als alleenstaande ouder, maar deze aanvraag werd op 3 januari 2019 afgewezen omdat zij met haar oom een gezamenlijke huishouding zou voeren.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en recht had op bijstand als zelfstandig individu. De Raad beoordeelde de periode van 26 november 2018 tot 3 januari 2019 en stelde vast dat appellante en haar oom hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat het eerste criterium voor gezamenlijke huishouding vervult.
De Raad onderzocht vervolgens het criterium van wederzijdse zorg. Uit de stukken bleek dat appellante niet bijdroeg aan huur en overige kosten, terwijl haar oom haar en haar kind onderdak bood, samen boodschappen deden en hij haar hielp bij ziekte. Appellante verrichtte huishoudelijke taken voor haar oom. De Raad concludeerde dat aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan en dat de aard van de relatie of de reden van samenwoning niet relevant zijn.
Daarom werd bevestigd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellante geen zelfstandig recht op bijstand had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen omdat appellante en haar oom een gezamenlijke huishouding voerden.