ECLI:NL:CRVB:2021:2599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 29 november 2016 tot 10 april 2018, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Arnhem stelt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij niet woonde op het uitkeringsadres.
De rechtbank Gelderland had het beroep tegen de intrekking en terugvordering ongegrond verklaard. In hoger beroep is alleen de periode van 29 november 2016 tot 4 december 2017 nog in geschil, omdat appellant daarna bijstand ontvangt volgens de norm voor gehuwden van een andere gemeente.
Appellant voerde aan dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren en dat het ontbreken van administratie plausibel was verklaard. Ook stelde hij dat de intrekking slechts op één huisbezoek was gebaseerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat uit bankafschriften blijkt dat appellant vooral transacties verrichtte in een andere plaats dan het uitkeringsadres en dat het huisbezoek een onbewoonde indruk van de kamer opleverde. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.