ECLI:NL:CRVB:2021:2600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 oktober 2021
Publicatiedatum
22 oktober 2021
Zaaknummer
20/1500 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid AwbArt. 8:108, eerste lid Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet betaling griffierecht in hoger beroep sociale zekerheidsrecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, maar dit hoger beroep is door de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Appellant heeft verzet aangetekend tegen deze beslissing en aangevoerd dat hij om uitstel van betaling had verzocht en door de pandemie vertragingen in postverkeer ondervond. Tevens bleek dat de adresgegevens op de nota's niet volledig overeenkwamen met zijn correspondentie.

De Raad heeft appellant op 6 juli 2021 een laatste kans gegeven om het griffierecht van €131,- alsnog te voldoen, met een uiterste betaaldatum van 3 augustus 2021. Deze aanmaning is per e-mail en aangetekende post verzonden naar het laatst opgegeven adres.

Omdat het griffierecht niet is betaald, verklaart de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.C. Boeree en griffier V.M. Candelaria op 22 oktober 2021.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 oktober 2021
20/1500 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2020, 19/1862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Turkije (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss

PROCESVERLOOP

De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak op 24 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen. De Raad heeft dit gedaan zonder een zitting te houden, met toepassing va de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 24 november 2020 en heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld op de zitting van 10 september 2021. Partijen zijn niet naar de zitting gekomen.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van de 24 november 2020 heeft de Raad het hoger beroep van appellant
niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het griffierecht niet heeft voldaan.
In het verzetschrift van 4 januari 2021 geeft appellant aan dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht en daar geen antwoord op heeft ontvangen. De laatste brief heeft hij in juni 2020 ontvangen. Ook zorgt de pandemie voor vertraging bij het ontvangen en versturen van poststukken.
In verzet is gebleken dat de adresgegevens van de nota’s niet helemaal overeenkomen met de adresgegevens die appellant aangeeft in zijn correspondentie
De Raad heeft appellant daarom op 6 juli 2021 voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om het griffierecht van € 131,- alsnog te betalen. In de brief staat dat het griffierecht uiterlijk
3 augustus 2021 moet zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad en als het griffierecht niet op tijd betaald wordt, zal de zaak niet inhoudelijk worden behandeld.
Deze brief is per e-mail en per -aangetekende- post verzonden naar het adres dat appellant als laatste heeft opgeven.
Het griffierecht is niet betaald.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2021.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) V.M. Candelaria