ECLI:NL:CRVB:2021:2612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en WGA-vervolguitkering
In deze zaak gaat het om de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant en de toekenning van een WGA-vervolguitkering door het UWV. Na eerdere tussenuitspraak waarin een gebrek in de motivering van het UWV werd vastgesteld, heeft het UWV een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Dit rapport geeft een gedetailleerde onderbouwing waarom het eerdere rapport van Heliomare en de conclusies van verzekeringsarts Vos niet tot een wijziging van het standpunt leiden.
Appellant stelde dat zijn situatie in 2019 niet anders was dan in 2017 en dat de beperkingen door verzekeringsarts Vos terecht waren vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat het onderzoek van Heliomare geen medische onderbouwing biedt voor zwaardere beperkingen en dat de aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag voldoende rekening houdt met de recuperatiebehoefte van appellant.
De Raad oordeelt dat het UWV het gebrek in de eerdere motivering heeft hersteld en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 55,24% correct is vastgesteld. De rechtbankuitspraken worden bevestigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant juist heeft vastgesteld op 55,24% en wijst het hoger beroep af.