Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar verbleef sinds 21 april 2019 in detentie zonder dit tijdig te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer. Het college trok daarom de bijstand met ingang van die datum in en vorderde de kosten van de periode tot en met 31 mei 2019 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het college verplicht is bijstand in te trekken en terug te vorderen bij detentie, tenzij er dringende redenen zijn om hiervan af te zien. Dringende redenen vergen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die incidenteel en uitzonderlijk zijn. De door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals de plotselinge aanhouding en de emotionele impact daarvan, kwalificeren niet als dringende redenen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat het college terecht heeft gehandeld. De Raad benadrukte dat het niet relevant is of de vrijheidsontneming achteraf onterecht was en wees op de bescherming van de beslagvrije voet bij invordering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.