ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens detentie
Appellant ontving sinds oktober 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage trok de bijstand met ingang van 31 mei 2010 in vanwege de detentie van appellant en vorderde de bijstand over de periode tot en met 30 juni 2010 terug.
Appellant voerde aan dat hij ten onrechte in voorlopige hechtenis had gezeten, dat hij tijdens zijn detentie de vaste huurlasten moest blijven betalen en dat hij niet in de gelegenheid was het college van zijn detentie op de hoogte te stellen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, WWB geen recht op bijstand bestaat voor personen die door voorlopige hechtenis rechtens de vrijheid is ontnomen, ongeacht of de detentie achteraf onterecht was. Appellant maakte niet aannemelijk dat hij zijn detentie niet had kunnen melden. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep faalde, waardoor de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens detentie wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.