ECLI:NL:CRVB:2021:2630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van Wajong-uitkering bij 55-65% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig UWV-onderzoek
Appellante, sinds 2008 Wajong-uitkeringsgerechtigde wegens lichamelijke klachten, meldde in 2019 een verslechtering van haar gezondheid met nieuwe psychische klachten. Het UWV verhoogde haar uitkering op basis van een nieuw onderzoek naar 35-45% arbeidsongeschiktheid, later bij bezwaar naar 55-65%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verhoging ongegrond, oordelend dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts alle klachten had meegewogen. Appellante voerde hoger beroep aan met het standpunt dat het UWV onvoldoende rekening hield met de samenhang van haar klachten en dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een inzichtelijke en gemotiveerde beoordeling hebben gegeven. Er is geen medische informatie overgelegd die het oordeel van het UWV ondermijnt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Wajong-uitkering van 55 tot 65% arbeidsongeschiktheid bevestigd.