ECLI:NL:CRVB:2021:2634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit bevestigd in hoger beroep
Appellante was werkzaam als winkelmanager en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij een Ziektewetuitkering die later werd beëindigd omdat zij volgens het UWV meer kon verdienen dan 65% van haar maatmanloon. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege hevige pijn en zenuwbeklemming niet kon werken en dat de verzekeringsarts geen rekening had gehouden met haar klachten. De Raad stelde vast dat de medische rapporten van neurochirurgen en neurologen geen aanleiding gaven het oordeel over de beperkingen te wijzigen. Er was geen bewijs van opname, bedlegerigheid of geplande operatie op de datum in geding.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante meer dan 65% van haar maatmanloon kan verdienen en dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 18 juni 2019 rechtmatig was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmanloon kan verdienen.