ECLI:NL:CRVB:2021:2635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in WAO-uitkeringszaken ongegrond verklaard
Appellante heeft meerdere hoger beroepen ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Limburg waarin haar beroepen niet-ontvankelijk werden verklaard wegens niet-voldoen aan het griffierecht. De Centrale Raad van Beroep heeft zich eerder onbevoegd verklaard om kennis te nemen van deze hoger beroepen, omdat de wet geen voorziening biedt voor hoger beroep tegen een kennelijk niet-ontvankelijkverklaring.
Appellante maakte bezwaar tegen deze onbevoegdverklaring door verzet in te stellen. Zij voerde aan dat haar toegang tot de rechter wordt belemmerd, dat zij niet is gehoord voorafgaand aan de niet-ontvankelijkverklaring, dat haar hoorrecht en recht op inzage zijn geschonden en dat sprake is van fraude met haar gegevens. Ook vroeg zij dat het UWV verplicht zou worden om op de zitting te verschijnen.
De Raad overwoog dat het appelverbod in artikel 8:54 Awb Pro duidelijk is en dat verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring alleen bij de rechtbank kan worden ingesteld. De inhoudelijke gronden van appellante kunnen niet tot doorbreking van het appelverbod leiden. De Raad achtte de afwezigheid van het UWV op de zitting niet onrechtmatig, omdat het nog niet ging om een inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding om het verzet toe te wijzen of de zaken aan te houden.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond en wees zij het verzoek af om het UWV te verplichten tot verschijnen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de onbevoegdverklaring van haar hoger beroepen wordt ongegrond verklaard.