ECLI:NL:CRVB:2021:2649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds december 2016 arbeidsongeschikt is, verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend was en dat de beperkingen van appellant voldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in alle rubrieken van de FML meer beperkt was dan aangenomen en dat hij niet voltijds kon werken. Hij stelde ook dat er sprake was van schending van het beginsel van equality of arms en dat een onafhankelijk deskundige benoemd moest worden. De Raad oordeelde echter dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat de rechtbank deze gemotiveerd had weerlegd.
De Raad bevestigde dat de stukken van de revalidatiearts en psycholoog weliswaar geschikt zijn om twijfel te zaaien, maar dat deze twijfel onvoldoende was om af te wijken van de medische beoordeling van het UWV. De dynamische beperkingen en pijnklachten van appellant waren voldoende in de beoordeling meegenomen en er was geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid bij de geselecteerde functies.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijk deskundige en ook geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering door het UWV wordt bevestigd.