ECLI:NL:CRVB:2021:2662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Zij was laatstelijk werkzaam als voorvrouw in de schoonmaak en meldde zich ziek vanwege rug- en schouderklachten.
Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellante artrose in de wervelkolom en linkerschouder heeft, met beperkingen die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige concludeerde dat zij niet geschikt is voor haar laatst verrichte werk, maar dat er wel passende functies zijn, waardoor haar arbeidsongeschiktheid op 24,34% werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de voorbeeldfuncties haar belastbaarheid overschrijden, maar zij leverde geen nieuwe medische gegevens aan.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen en dat de functies passend waren. Het hoger beroep werd verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering wordt bevestigd.