ECLI:NL:CRVB:2021:2668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering voor meewerkend voorman in tuinbouw
Appellant was werkzaam als meewerkend voorman in de tuinbouw en meldde zich ziek wegens visus-, darm- en urologische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsartsenonderzoek vast dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en weigerde een Ziektewet-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts als zorgvuldig en juist werd beoordeeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten waren verergerd en dat de gebruikte medicatie onvoldoende effect had. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische informatie had aangeleverd die tot een ander oordeel zou leiden. De Raad onderschreef het oordeel dat appellant per 28 december 2018 in staat was zijn eigen werk te verrichten.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld heeft geweigerd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant is geschikt voor zijn eigen werk en heeft geen recht op een Ziektewet-uitkering.