ECLI:NL:CRVB:2021:268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging definitieve jaarafrekening buitenlandbijdrage over 2010 door CAK
Appellant, woonachtig in België en arbeidsongeschiktheidsuitkeringsgerechtigde, werd geconfronteerd met een definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage over 2010 vastgesteld door het CAK. Deze bijdrage werd vastgesteld op €3.918,88 en appellant werd verzocht dit bedrag te voldoen.
Appellant voerde bezwaar aan tegen de vaststelling, stellende dat de bijdrage te laat was vastgesteld en dat hij pas in 2017 kennis had genomen van het besluit. Tevens stelde hij dat hij erop mocht vertrouwen dat de bijdrage via inhouding op zijn uitkering was voldaan en dat de bijdrage te hoog was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de verjaring was gestuit door aanmaningen in 2013 en 2017.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de termijnen in de Regeling geen verjaringstermijnen zijn, maar dat het rechtszekerheidsbeginsel in acht moet worden genomen. Uit notities klantcontact bleek dat appellant vanaf 15 maart 2013 op de hoogte was van de aanmaning en dus rekening moest houden met de naheffing. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant wist dat er geen inhouding via UWV had plaatsgevonden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.