Appellante, woonachtig in België en AOW-uitkeringsgerechtigde sinds 2008, werd vanaf 2009 een buitenlandbijdrage opgelegd door CAK voor medische zorgkosten in België. In 2018 stelde CAK de definitieve jaarafrekening voor 2009 vast en bracht een bedrag van €457,74 in rekening. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij niet tijdig geïnformeerd was en dat het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de termijnoverschrijding geen vernietiging tot gevolg had en appellante redelijkerwijs rekening kon houden met de bijdrage. In hoger beroep oordeelde de Raad dat de overschrijding van de wettelijke beslistermijn van meer dan vijf jaar onaanvaardbaar is en dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen de heffing van de bijdrage.
De Raad stelde vast dat CAK pas in 2016 over alle benodigde fiscale gegevens beschikte, maar dat dit niet bepalend is voor de termijn waarbinnen de bijdrage moet worden vastgesteld. De Raad vernietigde het besluit van 2018 voor zover de bijdrage werd geheven, herroept het besluit en bepaalt dat CAK het betaalde griffierecht vergoedt.