ECLI:NL:CRVB:2021:2680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling van 43,88% arbeidsongeschiktheid in WIA-procedure
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,88% per 24 januari 2017 door het UWV. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV dit percentage vast, waarna appellant beroep instelde tegen het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts en een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De medische informatie, waaronder rapporten van specialisten, werd adequaat betrokken bij de beoordeling. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid van de geselecteerde functies waarop het arbeidsongeschiktheidspercentage is gebaseerd.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, maar dit werd niet ondersteund door medische onderbouwing die afweek van de functionele mogelijkhedenlijst (FML). De Raad benadrukte dat subjectieve klachtenbeleving niet doorslaggevend is; het gaat om objectieve medische maatstaven. De Raad bevestigde het eerdere oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De uitspraak bevestigt daarmee de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 43,88% en het voortzetten van de WGA-loonaanvullingsuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 43,88% juist is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.