ECLI:NL:CRVB:2021:2687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW- en WIA-uitkering terecht wegens geschiktheid geselecteerde functies
Appellant, die sinds 2010 arbeidsongeschikt was door psychische klachten, ontving een WGA-uitkering die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een periode van werken en ziekte werd hem een Ziektewetuitkering toegekend, die het UWV beëindigde op grond van een eerstejaars beoordeling (EZWb) en een WIA-herbeoordeling, waarbij werd vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele functies liet vervallen. Het UWV handhaafde echter de besluiten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij zij de geschiktheid van de geselecteerde functies bevestigde en de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgde.
In hoger beroep stelde appellant dat de psychische beperkingen zwaarder wogen en dat hij niet in staat was de functies te verrichten. De Centrale Raad volgde dit niet, wijzend op het dynamische karakter van het CBBS en de gewijzigde medische beoordeling die zelfstandigheid in functioneren aangaf. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant en verklaarde de hoger beroepen ongegrond.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW- en WIA-uitkering is terecht omdat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies.