ECLI:NL:CRVB:2021:2689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen beperkingen op grond van de Wet WIA binnen vijf jaar
Appellant, werkzaam als schilder, viel in 2011 uit wegens nek-, schouder-, hand- en rugklachten. Zijn aanvraag voor een WIA-uitkering in 2013 werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Latere aanvragen in 2014 en 2015 werden eveneens afgewezen.
In 2016 vroeg appellant opnieuw een WIA-uitkering aan, waarbij ook psychische problematiek werd gemeld. Het UWV stelde vast dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als in 2013. Dit werd bevestigd in het bezwaar en door de rechtbank, die oordeelde dat er geen causaal verband was tussen de lichamelijke klachten en de psychische problemen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er in 2013 al psychische beperkingen waren en dat zijn rugklachten zijn toegenomen, wat het gebruik van cannabis en psychische klachten verklaart. De Raad oordeelde echter dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd zijn en dat er geen aanwijzingen zijn voor beperkingen vanuit een psychische aandoening in 2013.
De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af omdat er voldoende medische informatie beschikbaar was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.