ECLI:NL:CRVB:2021:2699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen UWV-besluit over geschiktheid arbeid per 7 maart 2019
Appellant, voormalig hovenier, meldde zich ziek op 17 juni 2016 en ontving vanaf 25 juni 2018 een WIA-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies, waaronder medewerker intern transport. Na verergering van psychische klachten in januari 2019, werd appellant per 7 maart 2019 door een verzekeringsarts geschikt geacht voor arbeid, waarna het UWV het recht op ziekengeld beëindigde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen door het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat een zorgvuldig medisch onderzoek had plaatsgevonden, waarbij ook psychische beperkingen waren meegewogen. Appellant stelde in hoger beroep dat extra beperkingen niet voldoende waren meegenomen en dat een nieuwe functionele mogelijkhedenlijst had moeten worden opgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het eerdere WIA-besluit rechtens onaantastbaar is en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geschikt was voor de functie van medewerker intern transport. De Raad onderschrijft dat de arts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat heeft beoordeeld en dat een nieuwe FML niet vereist is bij een Ziektewet-beoordeling. De aangevoerde aanvullende medische informatie leidt niet tot een ander oordeel.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant is per 7 maart 2019 geschikt voor arbeid.