ECLI:NL:CRVB:2021:270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2021
Publicatiedatum
10 februari 2021
Zaaknummer
19/363 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van januari 2018 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de beperkingen niet waren onderschat en de geselecteerde functies medisch geschikt waren.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder klachten aan rug, knie, heup, handen, schouder, psychische klachten en medicatiegebruik, onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek de beperkingen juist waren vastgesteld. Er was geen sprake van een psychiatrisch beeld of ernstige artrotische afwijkingen, en medicatiegebruik leidde niet tot extra beperkingen.

De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn en dat appellante niet voldoet aan de criteria voor een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

Uitspraak

L

19 363 WIA

Datum uitspraak: 10 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2018, 18/4651 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft op 13 januari 2021 plaatsgevonden via videobellen. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zus en mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor ongeveer 16 uur per week. Nadien heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 16 maart 2016 heeft appellante zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 januari 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 30 januari 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 14 maart 2018 (datum in geding) een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 18 juni 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 22 mei 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 6 juni 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De stelling van appellante dat in de FML van 22 januari 2018 haar beperkingen zijn onderschat, heeft de rechtbank niet gevolgd. Hiertoe is overwogen dat de door appellante genoemde klachten, de informatie die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ontvangen van de reumatoloog en het door appellante overgelegde medicatie-overzicht in de beoordeling zijn betrokken. Niet is gebleken dat deze informatie onjuist is uitgelegd. Bovendien heeft appellante haar standpunt dat de medische beoordeling onjuist was niet onderbouwd met een rapport van een medicus. Dat eerder bij de eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) verdergaande beperkingen zijn vastgesteld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze beperkingen ook bij de WIA-beoordeling moet worden aangenomen. De EZWb zag immers op een andere datum in geding. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft onderbouwd dat de geselecteerde functies, ondanks de daarbij aanwezige signaleringen, geschikt zijn voor appellante.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij op de datum in geding voor ten minste 35% arbeidsongeschikt was en dus een WIA-uitkering aan haar had moeten worden toegekend. Zij is van mening dat in de FML van 22 januari 2018 verdergaande beperkingen hadden moeten worden vastgesteld in verband met klachten aan haar rug, knie, heup, handen en schouder, psychische klachten en een chronische blaasontsteking. Door de combinatie van deze klachten beschikt zij over minder energie en is zij niet in staat om fulltime te werken. Dat bij de WIA-beoordeling minder beperkingen zijn aangenomen dan bij de EZWb is volgens appellante niet terecht, omdat haar medische situatie niet is gewijzigd. Bovendien is bij de WIA-beoordeling onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit het medicatiegebruik. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de informatie van de reumatoloog, het medicatie-overzicht en de uitspraak van de Raad van 25 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3015. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2020 en 7 januari 2021, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 14 maart 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de beperkingen van appellante in de FML van 22 januari 2018 zijn onderschat. De overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. In verband met beginnende polyartrose en fibromyalgie is appellante beperkt geacht in haar fysieke belastbaarheid. Daarnaast zijn, gelet op de psychische kwetsbaarheid na een eerdere depressie, beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht dat – op basis van voortschrijdend inzicht – minder beperkingen zijn vastgesteld dan bij de EZWb omdat geen sprake is van een psychiatrisch beeld of ernstige artrotische afwijkingen. Hij heeft bovendien afdoende gemotiveerd dat er geen reden is voor een urenbeperking op energetische gronden, omdat geen sprake is van een aandoening die leidt tot sterke energetische belemmeringen en een noodzaak voor extra recuperatie. Er is geen reden om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Ook de grond van appellante dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met haar medicijngebruik, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in zijn rapport van 7 januari 2021 terecht op gewezen dat appellante rond de datum in geding slechts incidenteel Tramadol gebruikte. Uit de uitspraak van de Raad van 25 augustus 2017 waarnaar appellante heeft verwezen, kan niet worden afgeleid dat ook in dat geval (verdergaande) beperkingen moeten worden vastgesteld. Ook het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante tijdens de hoorzitting heeft geadviseerd om met de huisarts te bespreken of zij niet te veel medicijnen krijgt, biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 januari 2021 toegelicht dat hij dit advies heeft gegeven omdat appellante twee middelen gebruikte die ongeveer hetzelfde doen en beter niet naast elkaar voorgeschreven kunnen worden. Bovendien gebruikte appellante medicatie die obstipatieklachten kan geven, terwijl zij daar al last van had. Evenmin is er aanleiding om aan te nemen dat appellante op de datum in geding beperkt was door blaasproblemen. Zij heeft immers ter zitting bevestigd dat – zoals ook naar voren is gekomen tijdens de hoorzitting – op die datum geen sprake was van een blaasontsteking.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2021.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M. Graveland