ECLI:NL:CRVB:2021:270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van januari 2018 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de beperkingen niet waren onderschat en de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder klachten aan rug, knie, heup, handen, schouder, psychische klachten en medicatiegebruik, onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek de beperkingen juist waren vastgesteld. Er was geen sprake van een psychiatrisch beeld of ernstige artrotische afwijkingen, en medicatiegebruik leidde niet tot extra beperkingen.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn en dat appellante niet voldoet aan de criteria voor een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.