Uitspraak
21.236 WIA, 21/237 WIA
OVERWEGINGEN
WIA-uitkering terecht is beëindigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker dienst/toezicht/beheerder, meldde zich op 19 juni 2014 ziek. Het UWV kende hem op 18 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Op 17 april 2018 besloot het UWV de WIA-uitkering per 18 juni 2018 te beëindigen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar.
Appellant verzocht op 16 juli 2018 om hernieuwde toekenning van een WIA-uitkering wegens verslechterde gezondheid per 6 februari en 9 juli 2018. Het UWV wees dit af omdat geen verslechtering was vastgesteld. Ook dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbanken verklaarden beide beroepen ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) passend was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, met name bij torderen, klimmen, knielen en hurken, en dat een urenbeperking nodig was. Een nieuw rapport van een medisch adviseur bracht geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen van het UWV hun standpunt voldoende onderbouwd hadden en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd passend bleven.
Het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling van het UWV. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en oordeelde dat appellant op de relevante data geen recht had op een WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering per 18 juni 2018 terecht is beëindigd en dat per 9 juli 2018 terecht geen nieuwe WIA-uitkering is toegekend.