ECLI:NL:CRVB:2021:2730

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
21/236 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering per 18 juni 2018 en weigering hernieuwde toekenning per 9 juli 2018 bevestigd

Appellant, werkzaam als medewerker dienst/toezicht/beheerder, meldde zich op 19 juni 2014 ziek. Het UWV kende hem op 18 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Op 17 april 2018 besloot het UWV de WIA-uitkering per 18 juni 2018 te beëindigen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar.

Appellant verzocht op 16 juli 2018 om hernieuwde toekenning van een WIA-uitkering wegens verslechterde gezondheid per 6 februari en 9 juli 2018. Het UWV wees dit af omdat geen verslechtering was vastgesteld. Ook dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbanken verklaarden beide beroepen ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) passend was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, met name bij torderen, klimmen, knielen en hurken, en dat een urenbeperking nodig was. Een nieuw rapport van een medisch adviseur bracht geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen van het UWV hun standpunt voldoende onderbouwd hadden en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd passend bleven.

Het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling van het UWV. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en oordeelde dat appellant op de relevante data geen recht had op een WIA-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering per 18 juni 2018 terecht is beëindigd en dat per 9 juli 2018 terecht geen nieuwe WIA-uitkering is toegekend.

Uitspraak

21.236 WIA, 21/237 WIA

Datum uitspraak: 4 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 december 2020, 19/1509 en 19/1515 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A. van der Heijden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 27 september 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heijden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft gewerkt als medewerker dienst/toezicht/beheerder. Op 19 juni 2014 heeft hij zich ziek gemeld. Bij besluit van 18 mei 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van 17 oktober 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.
1.2.
Bij besluit van 17 april 2018 heeft het Uwv de WIA-uitkering met ingang van 18 juni 2018 beëindigd omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2018 is bij besluit van 15 februari 2019 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van 14 november 2018 en 15 februari 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Op 16 juli 2018 heeft appellant het Uwv verzocht om een WIA-uitkering omdat zijn gezondheid is verslechterd per 6 februari 2018 en 9 juli 2018. Bij besluit van 12 november 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat de gezondheidstoestand van appellant per 9 juli 2018 niet is verslechterd en dat appellant daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 2 april 2019 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak geregistreerd onder nummer 19/1509 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder rug, knie- en heupklachten. Bij de opstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. In beroep heeft appellant informatie overgelegd van verzekeringsarts-medisch adviseur D. van der Ent. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd op de ingebrachte medische informatie en heeft vastgesteld dat er geen reden is om extra beperkingen op te nemen, zoals Van der Ent noemt. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin en ziet geen reden om een deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de functies die voor appellant geselecteerd zijn, passend. De mate van arbeidsongeschikt is terecht vastgesteld op minder dan 35%, zodat de
WIA-uitkering terecht is beëindigd.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak geregistreerd onder nummer 19/1815 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan het ziektebeeld van appellant tussen 18 juni 2018 en 9 juli 2018 niets is gewijzigd. Appellant heeft dit standpunt niet betwist en ook uit het door appellant overgelegde rapport van
Van der Ent blijkt dit niet. Dit betekent dat de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de medische aspecten van de beslissing op bezwaar van 15 februari 2019, zoals opgenomen in de uitspraak met nummer 19/1509 WIA ook in deze zaak onverkort gelden.
Uit deze overwegingen volgt de conclusie dat niet is gebleken dat in de FML van
25 oktober 2018 (die gelijk is aan de FML van 15 februari 2018) de beperkingen van appellant zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de functies die voor appellant geselecteerd zijn, passend. De mate van arbeidsongeschikt is terecht vastgesteld op minder dan 35%, zodat er geen recht is op een WIA-uitkering.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de al eerder ingediende rapporten van Van der Ent van 4 november 2019 en 13 mei 2020 aangevoerd dat hij meer beperkt is dan is aangenomen door de verzekeringsartsen van het Uwv. Op de onderdelen torderen, klimmen en knielen en hurken is hij meer beperkt. Ook is een urenbeperking geïndiceerd. Appellant heeft in hoger beroep een nieuw rapport van Van der Ent ingediend. In dit rapport, gedateerd 16 februari 2021, heeft Van der Ent nogmaals toegelicht waarom appellant meer beperkt is. Tot slot verzoekt appellant de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit. Het Uwv heeft tevens stukken ingediend waaruit blijkt dat appellant bij besluit van 1 juni 2021 per 1 oktober 2020 een WIA-uitkering is toegekend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geding is of de WIA-uitkering van appellant per 18 juni 2018 terecht is beëindigd en of aan appellant per 9 juli 2018 terecht geen WIA-uitkering is toegekend.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep in beide zaken heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen in de beide aangevallen uitspraken worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep een rapport van 6 februari 2021 van Van der Ent in geding gebracht. Van der Ent heeft hierin aanvullend gemotiveerd dat hij aanleiding ziet om meer beperkingen op te nemen. De Raad oordeelt dat dit rapport niet tot een ander oordeel kan leiden. Het rapport bevat geen nieuwe gegevens die bij het Uwv nog niet bekend zijn. De (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv hebben voldoende onderbouwd waarom de beperkingen die Van der Ent voorstelt, niet gevolgd worden. Daarbij is ook opgemerkt dat zelfs al zouden er meer beperkingen opgenomen worden op de onderdelen torderen, klimmen en knielen en hurken de aan de schatting ten grondslag liggende functies nog steeds geschikt zijn. Voor het aannemen van een urenbeperking is geen aanleiding. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden die genoemd zijn in de Standaard verminderde arbeidsduur. Dit betekent dat appellant op de beide in geding zijnde data geen recht (meer) had op een WIA-uitkering.
4.4.
Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen, wordt niet ingewilligd. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van
G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2021.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) G.S.M. van Duinkerken