Appellante, geboren in 1995, vroeg een Wajonguitkering aan vanwege lichamelijke en psychische klachten als gevolg van een hersentumor en aanverwante aandoeningen. Het UWV wees de aanvraag af omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam werd geacht. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV het beoordelingskader van het Compendium Participatiewet zorgvuldig had gevolgd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten, waaronder agorafobie, onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet zelfstandig kan functioneren zonder ouderlijke begeleiding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd dat behandeling mogelijk was en dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De Raad verwierp het argument dat de prognose achteraf onjuist bleek, omdat het oordeel moest worden gebaseerd op de situatie op de datum in geding.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de aanvraag had afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.