Appellant was zelfstandig antiekhandelaar en ontving vanaf 2003 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2016 vorderde het UWV een deel van de uitkering over 2013 terug, gebaseerd op inkomsten uit arbeid volgens de toen geldende fiscale aangifte. Appellant maakte bezwaar en stelde dat een deel van het winstaandeel over 2013 niet uit arbeid bestond, maar een vergoeding voor meerwaarde van voorraad antieke meubelen bij uittreden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat de fiscale keuze van appellant leidend was en hij onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangetoond. In hoger beroep toonde appellant aan dat de Belastingdienst akkoord was gegaan met een fiscale correctie die het verhoogde winstaandeel kwalificeerde als een vergoeding voor aanwezige meerwaarde en niet als arbeidsinkomen.
De Raad oordeelde dat het UWV deze herziene fiscale situatie onvoldoende had betrokken bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage en de terugvordering. Daarom vernietigde de Raad het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen, waarbij het rekening houdt met de fiscale correctie. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.