ECLI:NL:CRVB:2021:2736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Betrokkene is na een herseninfarct arbeidsongeschikt geraakt en heeft een WIA-uitkering aangevraagd die aanvankelijk door het UWV werd afgewezen. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
Appellante stelde dat betrokkene al eerder volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat de uitkering met verkorte wachttijd had moeten worden toegekend. Het UWV nam echter op 19 februari 2021 een nieuw besluit waarin het bezwaar alsnog werd gegrond verklaard en de uitkering met verkorte wachttijd werd toegekend met ingang van 11 april 2017.
Omdat het nieuwe besluit geheel tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante, heeft zij geen belang meer bij het hoger beroep. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellante.
De Raad oordeelt dat het besluit van 19 februari 2021 niet in het geding wordt betrokken en dat appellante geen aanspraak kan maken op vergoeding van kosten in bezwaar, omdat daarvoor geen verzoek is ingediend en de indiening door de HRM-manager niet als beroepsmatige rechtsbijstand geldt.
De uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel en uitgesproken op 3 november 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na het nieuwe besluit van het UWV.