ECLI:NL:CRVB:2021:2752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woon- en leefsituatie en schending inlichtingenverplichting
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet als alleenstaande. Tijdens een verhoor verklaarde hij alleen te wonen en geen persoonlijke spullen van anderen in zijn woning te hebben. Een aansluitend huisbezoek toonde echter een aanzienlijke hoeveelheid vrouwenspullen, wat duidt op verblijf van een vrouw in zijn woning.
Het college wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijke woonsituatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de tegenstrijdigheden voortkwamen uit onbekendheid met regelgeving en dat zijn vriendin al in Marokko verbleef.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de vrouw niet in zijn woning verbleef en dat hij de inlichtingenverplichting had geschonden door het verzwijgen van de vrouwenspullen. De latere toekenning van bijstand betrof een andere periode en veranderde niets aan het oordeel. Het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijke woon- en leefsituatie.