ECLI:NL:CRVB:2021:2758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ZW- en WIA-uitkering bij toegenomen beperkingen door reumatische klachten
Appellante was sinds 2012 werkzaam als verkoopster en meldde zich in 2014 ziek met hand- en voetklachten. Het UWV stelde vast dat zij per 13 april 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Op 14 juli 2016 meldde zij zich opnieuw ziek met toegenomen klachten. Het UWV besloot dat zij geen recht had op ziekengeld (ZW) en evenmin op een WIA-uitkering vanwege het ontbreken van toegenomen beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat zij recht had op ZW- en WIA-uitkeringen per 14 juli 2016. De Raad benoemde twee onafhankelijke deskundigen die rapporten uitbrachten waaruit bleek dat appellante weliswaar meer beperkingen had, maar dat deze niet leidden tot een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
De Raad volgde de deskundigen en concludeerde dat appellante geschikt was voor de eerder geselecteerde functie van assistent consultatiebureau. Het UWV had zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante geen recht had op ZW- of WIA-uitkering per 14 juli 2016. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante daardoor niet werd benadeeld. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Appellante heeft per 14 juli 2016 geen recht op ZW- of WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.