ECLI:NL:CRVB:2021:2786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken noodzakelijke verhuizing
Appellant, geboren in 1940, verhuisde in 2018 van zijn woonplaats 1 naar woonplaats 2 en keerde in april 2019 terug naar woonplaats 1. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de inrichtingskosten van zijn nieuwe woning in woonplaats 1, stellende dat de woning in woonplaats 2 te groot was en hij vanwege leeftijd en taalproblemen niet kon blijven wonen. Het college wees de aanvraag af omdat er geen aantoonbare noodzaak tot verhuizing was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een objectieve noodzaak tot verhuizing, zoals een medische noodzaak of een onhoudbare woonsituatie. Zijn argumenten over sociaal isolement en taalproblemen zijn begrijpelijk maar niet juridisch voldoende om de verhuizing als noodzakelijk te kwalificeren.
De Raad concludeert dat de afwijzing van de bijzondere bijstand terecht is en dat er geen reden is voor proceskostenveroordeling. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en berust op een zorgvuldige afweging van de feiten en de toepasselijke wetgeving.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt afgewezen wegens het ontbreken van een noodzakelijke verhuizing.