Uitspraak
19.4889 PW
17 oktober 2019, 19/391 (aangevallen uitspraak)
mr. A. Zonneveld.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand sinds 2010 en er werd een heronderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand over de periode juni 2017 tot juli 2018. Uit bankafschriften bleek dat er 53 contante stortingen en bijschrijvingen plaatsvonden ter waarde van €12.437,-. Appellante stelde dat deze betalingen terugbetalingen van leningen waren die zij had verstrekt, onderbouwd met verklaringen van derden.
Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van meer dan €10.000,- terug, verhoogde dit later tot ruim €11.500,- en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, wat in hoger beroep werd bevestigd.
De Raad oordeelde dat stortingen van derden op de bankrekening van een bijstandontvanger in principe als inkomen worden beschouwd. Appellante kon niet met objectieve en verifieerbare gegevens aantonen dat de stortingen geen inkomsten waren. De verklaringen van derden waren onvoldoende en de financiële situatie van appellante maakte het onwaarschijnlijk dat zij leningen had verstrekt. De boete werd terecht opgelegd omdat appellante de stortingen niet had gemeld. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening, terugvordering en boete worden bevestigd.